Kaardebol

Door: A. Lemmens.

Deze onbehaarde, een of twee jarige plant met forse, op de hoeken stekende stengels treft men aan op droge kleigrond, onbebouwde plekken, langs dijken, enz. Haar hoogopgaande, vertakte stengels zijn bezet met stevige stekels; ook de ongesteelde, van boven gladde bladeren hebben van onder stekels. Insecten kunnen niet in een kaardenbol omhoog kruipen, want ze stuiten op een gracht die de stengel omhult. De bladeren zijn vergroeid tot een beker om de stengel. In die beker staat altijd vloeistof. Gedeeltelijk is dat regenwater en voor een ander gedeelte een afscheiding van de plant zelf.

Deze slijmerige stof voorkomt het snel verdampen van het water in de beker en nog niet zo lang geleden werd ontdekt dat het vocht nog een ander doel dient. De kaardenbol blijkt een vleesetende plant. Insecten glijden langs de binnenwand van de beker omlaag. Die is zo glad dat ze er niet meer uit kunnen kruipen. Ze verdrinken en worden door de vloeistof opgelost. Klieren in de plantenhuid nemen deze voedzame vloeistof op. De voetbladen zijn ellips vormig of langwerpig – lancet vormig, ruw en ongetand. De stengelbladen zijn smaller en vormen samen vaak waterbekkens rond de stengel. De afzonderlijke kleine, bleekrood of violetkleurige bloempjes staan in een ronde tot eivormige bloemhoofdjes. De stekelige bloemkop van 30 tot 90 mm doorsnee; van uit de basis twee of drie rijen boogvormig naar boven gekromde lijnpriemvormige schutbladen. Per keer openen zich slechts twee of drie rijen bloempjes. De eerste violet tot roze bloemen komen uit de middelste ‘cellen’ van deze raat. Vervolgens gaan de cellen daarboven en eronder open, zodat er tijdens de bloei twee ringen van bloemen ontstaan, waarvan de ene naar boven en de andere naar beneden schuift. De weverskaarde lijkt veel op de grote kaardenbol. De bloeiwijzen hebben gehaakte schubben waarmee vroeger wol werd gekaard. De grote kaardenbol groeit in heel Europa, wild of als verwilderde tuinplant. In Nederland en België is hij beschermd. Hij heeft een voorkeur voor zonnige plaatsen en kalkrijke grond, maar kan zich in vrijwel iedere tuingrond rijkelijk uitzaaien. Het eerste jaar vormt zich een tegen de grond gedrukte rozet van groene bladeren. Het tweede jaar schiet de plant ruim twee meter de lucht in en bloeit in de tweede helft van de zomer met de kenmerkende raatvormige bloeiwijze. Bloeit in juni en augustus; komt voor in Zuid-, West- en Midden Europa. In Nederland en België alleen als adventief. Een plant van ruderale gronden.

Wilde Kaardebol:
Stengel 1,20-1,50 m; krans van omwindselbladen lang, rechtopstaand; omwindselblaadjes uitstekend boven purperen bloem en eindigend in buigzame of stijve stekel. Vroeger in Limburg gekweekt en daar wel eens verwilderd, elders zeldzaam, adventief. Bloeitijd juli-augustus. Beschermd.

Kleine Kaardebol:
Stengel 0,90-1,20 m; omwindselblaadjes korter dan witte bloem, hoofdjes min of meer bolvormig. Op vochtige, beschaduwde plaatsen en kapvlakten. Zuid-Limburg daar plaatselijk veel in rivieren- en krijtdistrict. Zeer zeldzaam. Bloeitijd juli augustus.