Door: A. Lemmens.
2024.
Galaga is een plant die van oorsprong uit Midden Azië komt, namelijk uit Rusland en Iran. Maar is inmiddels ingeburgerd in heel Europa. Ook bestaat er een gecultiveerde vorm die als sierplant verkocht wordt. Medicinaal heeft de plant een belangrijke plaats in de natuurgeneeskunde. Is familie van de vlinderbloemigen. Alle bovengrondse delen van de plant worden gebruikt als natuurgeneeskruid.
Wetenschappelijk naam: Galega officinalis.
Engelse naam: Goat’s-Rue.
Duitse naam: Geissraute.
Franse naam: Galéga.
Het deel van de wetenschappelijke, die uit het Latijn komt, naam gale betekent melk en het deel ega betekent voortbrengen. Dit verwijst naar de eigenschappen van de plant, melk voortbrengend. Officinalis betekent uit de werkruimte van de apotheker. Deze toevoeging krijgen planten die van ouds geneeskracht hebben.

Galaga is een overblijvende plant. De knoppen overwinteren vlak onder de grond waar ze voor de vorst beschermd worden door het strooisel. De bloeitijd ligt juni tot en met augustus. De plant kan een hoogte bereiken van 60 tot 150 cm. De wortel is sterk verdikt. Er groeien uit de wortel een groot aantal stengels recht opgaand. De stengels zijn vertakt en zijn kaal. De bladeren staan afwisselend en zijn langwerpig tot lancetvormig en oneven geveerd. De negen tot twaalf deelblaadjes, deelblaadjes zijn bladschijven waaruit een samengesteld blad komt, zijn 9 tot 17 mm lang en 3 tot 9 mm breed. Ze hebben vrij grote, zijn half pijlvormige tot lancetvormige steunblaadjes, steunblaadjes zijn blaadjes die aan de voet van de bladsteel zitten, met een lange stekelpunt en omgekeerd eirond, langwerpige of lancetvormige, stekelpuntige blaadjes. De bloemen zijn tweeslachtig. De bloemen zijn een langwerpige, gesteelde, rechtopstaande tros tot vijftig rozerode of witte purper geaderd bloempjes. De bloemtrossen zijn langer dan de bladeren. De grote hangende bloemen zijn 9 tot 15 mm groot. De kelk is onbehaard, klokvormig, met een bult aan de voet en heeft bijna gelijke priemvormige tanden, die even lang zijn als de buis. De bloem heeft negen vergroeide meeldraden en één vrijstaande meeldraad. Het vruchtbeginsel is bovenstandig, het vruchtbeginsel wordt gevormd in de bodem van de bloem. De stempel is knopvormig. De vrucht is een dopvrucht. Ze zijn 2 tot 4 cm lang. De peulen zijn giftig, zijn lijnvormig, bultig, schuin gestreept, kaal en toegespitst. Ze bevatten drie tot vijf bruine zaden. De vrucht is glad en rond en is veel langer dan de kelk. Tweezaadlobbig.
– Stimuleert de nieren, drijft vocht af.
– Geneest wonden.
– Antibacteriële werking.
– Gaat stolsels in het bloed tegen.
– Zweetdrijvend.
– Tempert koorts.
– Bloedsuiker verlagend.
– Alkaloïden: quanidinederivaten, galegine, 4-hydroxgalegine en galeïne.
– Saponinen.
– Flavonoïden.
– Tanninen.
– Bitterstoffen.
– Saccharose.
– Glycosiden.
– Sporen van chroom.
– Vette olie.
Zal niet makkelijk zijn om deze plant te vinden als wilde plant in de natuur, je weet niet of het een verwilderde cultuurvorm is of een wilde plant. Daarom is het handiger om het product te gebruiken wat in de natuurhandel te verkrijgen is. in de handel zijn zakjes met poeder van de plant te verkrijgen. Dit poeder kunnen we door het eivoer mengen. Eén eetlepel door één kilogram eivoer mengen. Dit verstrekken we één maal per week.
