Jouyisijs | Augus Klages

En mijn ervaringen met deze zeldzame sijzen soort.

2012.

Door: August Klages.

Vertaald door: A. Lemmens (A.L.).

Met toestemming over genomen uit Gefiederte Welt.

6

Biologie.
De Carduelis psaltria jouyi is de kleinste van in totaal vijf ondersoorten van deze soort. Bij vele schrijvers is de soortnaam spinus in plaats van carduelis. Het gehele voorkomen van de soort strekt zich uit van Washington en Oregon in het noordwesten van de V.S. naar het zuiden via Californie, Arizona en Texas en naar Mexico en Midden Amerika tot in het noordwesten van Peru. Het leefgebied van de ondersoort Carduelis psaltria Jouyi is weliswaar op het schiereiland Yucatan, als ook in de Mexicaanse staat Yucatan en het noorden van Quinta Roo begrenst. Af en toe duiken ook enkele exemplaren in Cuba op. Ook Bond, 1971, vermeldt in zijn boek “Vogels van West-Indië”, enkele vogels op in Cuba in de omgeving van Havanna en Santiago de Cuba in het Zuidoosten van het eiland. Het is aan te nemen, dat door de hevige stormen die in het gebied woeden, de een of andere Jouyisijs van het Yucatan schiereiland naar het 200 km verder gelegen Caribische eiland afgedreven zijn. De Mexico sijs wordt in het algemeen omschreven als een soort dat zich makkelijk aanpast, zeer verschillende leefgebieden bewoont: van loofbos tot coniferenbos, van boslanden, rivierlopen tot aan weidelandschappen met bosjes, plantages, parken en tuinen. Gewoonlijk is er altijd stromend water in de buurt. De hoofdvoeding bestaat uit zadensoorten (zowel composieten alsook van bomen), daarnaast worden echter ook knoppen, bessen en insecten gegeten. Dat laatste vermoedelijk bij het grootbrengen van de jongen. De broedtijd valt in de maand april tot oktober en gewoonlijk wordt maar een legsel per jaar groot gebracht. Alleen wanneer het voedselaanbod en de weersomstandigheden optimaal zijn wordt een tweede legsel groot gebracht. Twee tot vijf eieren worden in een klein nest gelegd en door het popje 12 tot 13 dagen bebroed. Over de tijd dat de jongen in het nest verblijven en de opfok is niets bekend. Buiten de broedtijd kunnen grotere zwermen waargenomen worden, vaak vermengd met andere zaadeters.

1

Uiterlijk van de vogels.
De Jouyisijs is ongeveer 9,5 cm groot, een enkele ook 10 cm. Hij lijkt qua uiterlijk op de nominaatvorm Carduelis psaltria psaltria, kop en gehele rug zijn glanzend zwart, de witte vleugelspiegels zijn echter kleiner. Het geel van de buik zou ik eerder oranjegeel noemen. Helaas laten de door mij bijgevoegde foto’s niet het goede geel zien. Ook het kleine gebied onder ogen, die bij de nominaatvorm geel bevederd is, is bij de Jouyisijs zwart of slechts weinig geaccentueerd. Het diepe zwart van de bovenkant is bij de Jouyisijs pas in het tweede jaar te zien. De staartonderkant is wit. De popjes zijn zeer verschillend van kleur, er zijn grauwgroene, gele en meer bruin getinte vogels. De basiskleur van de gedomesticeerde mexicosijs hangt erg af van de voeding. Hoe meer vers groenvoer etc. aangeboden wordt, hoe geler de vogels worden. De mexicosijs is de kleinste van het geslacht (A.L. Amerikaanse sijzen). Een aangename zang en vitaliteit horen bij zijn eigenschappen.

2a

In het Munsterland kwam ik op mijn schrede terug.
Bij een kwekersbezoek in Munsterland in 2007 leerde ik M. Wigger kennen. Bij hem zag ik de Jouyisijs weer. Hij had zijn vogels weer van een kweker uit Berlijn verkregen, die echter ook nog maar weinig uit het oude bestand overgebleven exemplaren bezat. Gelukkig was het Hr. Wigger gelukt daarnaast een paar bloedvreemde vogels aan te schaffen. Na dit bezoek wilde ik ook weer met het houden van de Jouyisijs beginnen. Spoedig zag ik een advertentie van een kweker uit Trier die Jouyisijzen aanbood. Ik belde hem en de volgende dag ging ik naar hem toe. Bij hem moest ik echter vaststellen dat dit bestand niet bestond uit zuivere ondersoorten. Een vol uitgekleurd mannetje zaten al klaar in een transportkist voor hamsters, als popje zou men mij een jonge vogel uit de vlucht vangen. Het bleken echter allemaal mannetjes te zijn en bovendien waren alle exemplaren iets groter dan normaal voor een zuiver Jouyisijs het geval is. Vanzelfsprekend wilde deze kweker van de mogelijkheid al vroeg het geslacht van de mexicosijs te kunnen herkennen, respectievelijk van een vroeger inkweken van andere ondersoorten niets weten. Om het toch nog een keer duidelijk te zeggen, men kan bij jonge mexicosijzen in het bijzonder bij de ondersoorten jouyisijs en Columbiasijs al bij het verlaten van het nest het geslacht beoordelen. De jonge popjes hebben geen of slechts een nauwelijks zichtbare witte vleugelspiegel. Bij de jonge mannetjes is dat daarentegen al 2 tot 3 mm groot en goed zichtbaar. Deze vogels uit Trier waren voor mij dus niet geschikt, om er een stam van jouyisijzen te vormen. Ik heb vriendelijk afscheid genomen en ik waardeerde de reis naar Trier als een mooi tochtje door de Eifel.

3a

Vers bloed doet altijd goed.
Zuivere ondersoort van de jouyisijs waren, uitgezonderd enkele exemplaren, uit onze vluchten verdwenen. In 2008 werden mij door de vogelkweker Padovan (Pjullingen) twee zuivere mannetjes aangeboden. Ook enkele andere kwekers kochten een paar vogels bij deze kweker. Dankzij de initiatieven van zulke verantwoordelijke bewuste vogelhouders zijn gelukkig nog hier en daar enkel vogels te verkrijgen, zodat de hoop bestaat ook de kleinste vorm van de mexicosijzen in onze vogelverblijven te houden. De prijs is nog erg hoog en houdt hopelijk de niet eerlijke “verzamelaar” er van af deze vogel te kopen, vooral als zij de vogels zo verzorgen dat ze uiteindelijk doodgaan.

4

Voeding.
Als standaard voer krijgen mijn mexicosijzen een goede zaadmengeling voor sijzen, bijvoorbeeld van de firma Bird and More Hungenberg. Deze mengeling wordt aangevuld met kropaar, perrillazaad en chicoreizaad (cicoria Rossa en andere soorten). Verder geef ik diverse soorten groenvoer en bloesemknoppen, voedingskalk en grit. Bij de opfok geef ik ze daarnaast kiemvoer, waaronder ik wat speciaal opfokvoer “completcard” (Hungenberg) meng. Paardeloembladeren, vogelmuur en tijdens het seizoen brede weegbree en teunisbloem ( nog wit van zaad) vullen ik dit dieet aan. Het kiemvoer wordt met vitaminen, Nekton tonic K, darmstabilisator (Hungenberg) en voedingskalk bestrooid. Levend voer gaf ik niet. Wanneer de jongen het nest verlaten hebben krijgen zij daarnaast melde, zaadstengels van de brede weegbree, hanepoot en bijvoet. De zaadstengels van de weegbree laten zich goed invriezen. De hanepoot wordt ook gegeven aan de jongen in het nest als de natuuromstandigheden het toestaan. Te drinken geef ik vers leidingwater, twee keer in de week multivitaminen, in de voorbereiding voor de kweek daarnaast nog vitamine A, D3, E (van verschillende firma’s). Af en toe geef ik na een antibioticakuur vitamine B, evenals nekton B (Enderle), twee maal per week krijgen mijn vogels baadwater.

5

Verse takken en twijgen.
Veel belang hecht ik aan verse twijgen van de els, die ik elke twee weken vernieuw. De elzentwijgen leg ik in iedere kooi, het kunnen ook twijgen van andere houtsoorten zijn. Ik kan het niet begrijpen dat men bij zoveel kwekers die zeldzame vogel kweken links en rechts in de kweekkooi een zitstok ter beschikking stellen, daarnaast een nestkorfje en klaar is de “legbatterij”. De ideeën over diervriendelijke behuizing mag verschillend zijn toch moet het niet tot een minimum gereduceerd zijn. Helaas planten vele vogelsoorten zich ook onder bovengenoemde omstandigheden zich voort en de verantwoordelijke zijn nauwelijks te bewegen daar aan iets te verbeteren. Zelfs na het kweekseizoen worden de vogels, ook in grote volières, slechts een zitstok rechts en links aangeboden ter afwisseling. Voer en water wordt in het midden van de volière neergezet. Ondanks mijn aanwijzingen dat mijn vogels erg enthousiast over de verse elzentakken krijg ik als antwoord: wanneer ik twijgen geef gaan de vogels zich plukken. Dat heb ik in al die jaren dat ik vogels houd nog nooit meegemaakt. Volgens mij hebben zo vele vogels een erbarmelijke bestaan. Bij het houden van vogels als het uitsluitend gaat om kwantitatieve opbrengst, zal er nooit interesse zijn voor de vogels zelf.

7a

Verzorging en kweek.
Ik heb mijn sijzen in een vogelkamer in ruime kooien en vluchten, die makkelijk schoon te houden zijn, door middel van natuurlijke takken enz. hebben de vogels meer mogelijkheden tot beweging. Daarnaast wil ik er op wijzen dat mexicosijzen de slechte gewoonte hebben om hun ontlasting richting het licht te deponeren. Dat betekent dat ze vaak het voorfront bevuilen. Het beste wat je hier tegen kunt doen is de tralies vaker met borstel en spons te lijf te gaan.
Bij een kweker zag ik een reserve voorfront zodat het andere front geweekt kon worden in water gedurende enkel dagen.
Mijn eerste jouyisijs verzorgde ik en kweekte ik in de jaren negentig. Ik had daar goede resultaten mee. Helaas werden de kweekresultaten spoedig slechter. Ik had een ziekte in mijn bestand opgelopen, van enige exemplaren groeiden de bovensnavel over de ondersnavel en brak ook snel af. Door een tekort aan vers bloed kon ik geen broedparen meer samenstellen, de Jouyisijs werd kwetsbaar en kleiner. Een van de jongen had zelfs lichte poten, rode ogen en een oranje getinte snavel. De rugveren waren na de jeugdrui bruinig en de kop was zwart. Gelukkig leefde hij niet lang. Daarom stopte ik met de kweek en verzorgen van de Jouyisijs. De overgebleven gezonde vogels nam een collega-kweker over, die deze vogels over verschillende andere kwekers van de Jouyisijs verdeelde.

8

Ik moet weer ervaringen opdoen.
Een paar maanden later kon ik weer van een andere kweker jonge jouyisijzen krijgen, waarvan het geslacht duidelijk te herkennen was. Ook deze vogels waren niet ondersoortenzuiver, boven genoemde kweker had ze voorheen zo aangeboden. Hij had jaren geleden een zuiver stam in bezit gehad, kon echter helaas geen nieuw bloed vinden en was daardoor gedwongen met een andere ondersoort te kruisen. Het waren allemaal mooie vogels waarvan de “jouyi afstamming” nog duidelijk te zien was. Met dit koppel kon ik weer ervaringen opdoen, maar zoals het zo vaak gaat had ik eenvoudige dingen van het vroegere verzorgen vergeten. Wie denkt op de oude ervaringen verder te kunnen gaan, wordt erg teleurgesteld. Dit paar jouyisijzen bezorgde mij vier jonge popjes die ik later met de nodige informatie weg deed. Hr. Hoffman uit Hessen schonk mij gelukkig een zuiver koppel jouyisijzen. Daarnaast kon ik nog een vreemd mannetje kopen. De vogels waren binnen Europa bij elkaar verzameld, enige bloedverwantschap was dus ui te sluiten. Helaas maakten deze vogels de drie volgende jaren geen aanstalten om te gaan broeden. Het koppel scheen niet bij elkaar te passen en een kans om de partners uit te wisselen had ik niet. Van Hr. Wigger kon ik later een mannetje overnemen, die net als de vogels van Radovan te jong waren om te gaan broeden. Het geslachtsrijpe popje van Hr, Hoffman liet zich weliswaar door de verschillende bijgezette mannetje het hof maken, doch tot een bevruchting kwam het niet. Het zit nog steeds bij mijn vogels en hier zal zij ook blijven, tenslotte houd ik geschenken in ere.

De eerste jonge vogels kwamen in 2010 uit.
Uit de Rodovan kweek kwamen 2.1 Jouyisijzen uit. Het waren mooie jonge vogels. Een koppel vonden elkaar en broedde het daarop volgende jaar. Er werden 4 eieren gelegd, goed bebroed en er kwamen vier jongen uit. De ouders voerden goed, ik ringde de jongen en de jongen groeiden voorspoedig. Toen merkte ik dat het popje steeds de hals strekte alsof ze moest overgeven. Spoedig zat ze uitgeput met de kop in de veren. Ik was erg bezorgd, vooral omdat ik niet wist wat er aan de hand was. Ik plaatste een warmte lamp voor de kooi. Gelukkig voerde het mannetje de jongen. Het popje gaf ik uit voorzorg een druppel Ivermectin, een geneesmiddel tegen ektoparasieten en rondwormen, in de nekveren. Het popje vloog zenuwachtig door de kooi. Ongeveer een uur later deed ze weer normaal en voerde ook weer de jongen. Ik ademde diep door en hoopte dat ik de situatie weer in de hand had. Echter twee dagen later herhaalde zich de situatie. Ditmaal strekte beide oudervogels de hals en braakte voer terug. Weer gaf ik beide een druppel Ivermectin in de nek en weer vlogen ze onrustig door de kooi en een uur later voerden ze weer beide. Uit voorzorg gaf ik beide vogels Baytril, dat ik nog in voorraad had. De warmtelamp bleef aan, alleen ‘s nachts deed ik die uit.

De jongen vliegen uit.
De jongen verlieten uiteindelijk het nest en werden verder gevoerd. Helaas niet meer zo intensief als dat door gezonde oudervogels gedaan wordt. Daar de Baytril geen verbetering gaf ging ik over op een behandeling met een antibiotica B.S., een bekend geneesmiddel uit de duivenkweek van de firma Belgica de Weerd B.V., dat o.a. tegen bacteriële kropslijmhuid ontstekingen gebruikt wordt. Tenslotte kon ik niet met het koppel en alle jonge vogels naar de dierenarts gaan. Daarbij kwam dat de door vogelvrienden aanbevolen dierenarts gespecialiseerd in vogels 40 km verder woonde. Alle jongen vliegen uit, al waren ze niet zo vitaal en krachtig als ik gewend was. In het bijzonder de twee laatste uitgekomen jongen zagen er zwakker uit. Zelfs nu nog, terwijl de jongen 1 jaar oud zijn, kan ik ze onderscheiden van andere gezonde kweekvogels. Veel kwekers nemen bij de vogels de eieren weg en leggen ze er weer bij als het legsel volledig is, om zo een gelijktijdig uitkomen te bereiken. Dit koe ik echter niet.

Het halsrekken gingen nog steeds door.
De oude vogels bleven hun hals uitrekken en braakten en daarom zette ik de behandeling met Ivermectin voort. Twee dagen later ging ik met de Jouyisijzen naar een dierenarts bij mij om de hoek. Er werd een uitstrijkje genomen en ontlasting voor onderzoek afgegeven. De diagnose bracht niets aan het licht, zodat er voor mij niks anders overbleef dan de warmtelamp en het duivenmedicament. Om eindelijk duidelijkheid te krijgen nam ik met dierenarts Pieper in Leverkusen-Rheindorf contact op. Voordat ik hem opzocht moesten de vogels drie dagen zonder medicijnen zijn en ik nam wat ontlasting mee. Hij gaf als diagnose: geen coccidiose en luchtzakmijt. Het uitstrijkje liet echter een bacteriële infectie in de krop zien. Het medicijn dat de arts voorschreef moest ik acht dagen lang aan alle vogels geven die met die twee in contact waren geweest. En inderdaad, het medicijn werkte, het duurde echter nog lang voordat de infectie helemaal over was. Het zieke ouderpaar was ook na negen maanden nog niet helemaal genezen en had tot dan ook geen broedpoging ondernomen. Ik hoopte dat dit wel weer zou gaan gebeuren. Alle Jouyisijzen ruiden meteen, ondanks dat het geen tijd was om te ruien. Het was voor mij niet verwonderlijk, daar ik deze soort als ruigevoelig kende. Al bij de geringste stress reageren ze met veeruitval en rui.

2011, meer schijn dan werkelijkheid.
Van mijn collega-kweker M. Wigger kreeg ik nog een popje van 2010. Het sloot vriendschap met een mannetje uit de Radovan kweek. Tijdens het ruien werden alle Jouyisijzen gezamenlijk in een volière gezet. Ze kregen veel groenvoer en kwamen goed door de rui. De mannetjes waren al geel en ook de popjes kwamen goed in de veren. In dit gezelschap vonden de koppeltjes zich voor het volgende kweekseizoen. In maart/april werden er nieuwe koppels over de kweekboxen verdeeld. Ik gaf nestmateriaal en elk koppel bouwde een nest, toch verder wilden ze niets doen. De mannetjes jaagden zoals gewoonlijk achter de popjes aan maar broedpogingen werden niet ondernomen. Het nestmateriaal werd slechts speelmateriaal. Na vier weken besloot ik alle mexicosijzen opnieuw in een volière samen te zetten. De paren rangschikte zich opnieuw en werden weer over kweekboxen verdeeld. Het resultaat was echter dat ze weer gedeeltelijk in de rui vielen, weer wat nestbouw gerommel maar geen broedpogingen. Ergens schijnt er bij mij iets niet te gaan zoals het moet, want bij mijn collega Wigger waren al zes jonen uitgekomen. Een plausibele verklaring vond ik niet.

Ook mannetjes bouwen een nest.
Het was al juni toen twee mannetjes een nest bouwden. Dat had ik nog nooit meegemaakt. De snavels van de Jouyisijzen waren geel met een zwarte punt, wat er op wijst dat ze in broedstemming waren. Mijn poging met het wisselen van vlucht naar broedbox gaf geen resultaat, paren die zich in de vlucht gevonden hadden bleven nu ook bij elkaar. Zinvolle resultaten, m.a.w. broedresultaat, werden niet bereikt. Gelukkig waren er nog de beide vogels van Wigger/Radovan. Dit jonge paar zat in een kooi van 100x40x70 cm, die zich in de kweekruimte onder het plafond naast de deur hing. In de kooi hingen als nestgelegenheid een draadkorfje en een houten nestkastje. Het paar koos voor het nestkastje, dat in het midden tegen de achterwand onder het dak hing en wat met groen gecamoufleerd was. Ook hier had het mannetje een diep napnest gebouwd. Het popje nam zich ruim de tijd, zij ruide nog een beetje. Toen zag ik dat het mannetje zijn popje betrad, ik kon dat slechts een keer waarnemen. Op 26 juni lagen drie eieren in het nest die vanaf het tweede ei bebroed werden. Uiteindelijk lagen er vijf eieren in het nest. Vier jonge vogels kwamen uit, een ei was onbevrucht. Van het mooi gevormde nest, dat het mannetje gemaakt had, was niets meer te zien. Het popje had destijds voor het leggen van de eieren zich nog bezig gehouden met het nest, desondanks heeft ze er niets van gemaakt, omdat ze er door het eieren leggen geen tijd meer voor had.

Beide ouder voeren uitstekend.
Op 8 juli kon ik waarnemen dat het mannetje zijn popje op het nest vaker dan gewoonlijk voerde. De eerste jongen waren uitgekomen. Ik heb gelijk kiemvoer gemaakt en een kleine hoeveelheid in de kooi gezet. Het werd gelijk door het mannetje genomen en aan het popje doorgegeven. Alles liep volgens plan, de jongen werden goed gevoerd. De volgende dag gaf ik ook vogelmuur en roma-sla. Op 13 juli kreeg ik onverwachts bezoek van mijn collega M. Wigger. Hij was gekomen om een mannetje van de Geelbuiksijs (Carduelis x. xanthogaster) , dat ik voor hem achter gehouden had, af te halen. Om plaats te maken voor de stamboomkweek van Jouyisijzen moest ik de Geelbuiksijzen en de Yarrelsijzen weg doen. Natuurlijk werd het jonge broedsel van de Jouyisijzen bekeken. Ik haalde het nest uit de kweekbox en we stelden vast dat de eerste drie jongen geringd konden worden. Zo gezegd zo gedaan, de vogels werden geringd en het nest weer terug gehangen in de kooi. Het popje zorgde meteen weer voor de nakomelingen. Bij dit broedsel ging alles naar wens. Vroeger had ik ook al meegemaakt dat de ouders de geringde jongen uit het nest gooiden of niet meer voerden. Het kon ook gebeuren dat bij het terug leggen van de jongen er een verdrukt werd. Door de opvallendheid van de ringen is de kans altijd aanwezig dat het broedsel verloren gaat. Amerikaanse sijzen zouden eigenlijk niet met gesloten ring geringd moeten worden, maar wantrouwen onder kopers dwingt ons daartoe, om onnodige verliezen op de koop toe te nemen. Maar zoals al gezegd verliep het ringen dit keer goed, de ouders voerden al snel weer regenmatig en de jongen hadden zich zonder letsel opnieuw in het nest gerangschikt. Vanaf 15 juli zat het popje niet meer op het nest en op 22 juli verliet het laatste jong het nest.

Slotwoord.
Mijn ervaringen tot nu toe zijn dat de kweek van de Jouyisijzen net zoals die van de ander ondersoorten alleen iets is voor ervaren kwekers. Deze vogels moeten tijdens de broedtijd bij minstens 20 graden en tijdens de rusttijd bij 15 graden gehouden worden. Het is ook aan te raden om tijdens de winterrust de paren te scheiden. Wanneer de Jouyisijs iets niet aanstat valt hij meteen in gedeeltelijke rui. Enige keren per jaar moet men ontlasting laten onderzoeken. Het voeren van groenvoer kan bij nieuwe vogels, die dit voer niet gewend zijn, ongesteldheid en diarree veroorzaken. Ik porbeer geen vogels te kopen die van kwekers komen die geen groenvoer geven. Dan koop ik alleen vogels als het vogels zijn die 2 of 3 maanden oud zijn. Dan heb ik nog de kans ze er aan te laten wennen. De Jouyisijs moet ook niet elk jaar voor de kweek ingezet worden, je zult er rekening mee moeten houden dat in het ene of ander jaar niets gebeurd, Overigens begint het broedseizoen bij mij pas laat in het jaar. Als men, zoals bij vele kwekers gewoonlijk, zijn vogels in december voor kweek inzet en in april weer stopt, kan nauwelijks op jonge vogels rekenen. Uitzonderingen komen natuurlijk altijd voor. In de zomer kan men, wanneer de mogelijkheid bestaat, zijn vogels in een buitenvolière onderbrengen. Bij lange regenperioden of aanhoudend koud weer moet men de vogels goed observeren. In een elke kweekkooi bevindt zich een lichtbron die bij onwel zijn van de vogels graag opgezocht wordt en als warmtebron gebruikt wordt. Wie aan deze voorwaarden voldoet zal kunnen genieten van deze mooie kleine sijs, die daarnaast ook nog mooi zingt.